I LOVE PAPER BECAUSE IT SUCKS
ELLIE VOSSEN 1948-1998
1948-1973
Revolution in the air
Ellie Vossen werd geboren in 1948 in Bunde, een dorp in de
buurt van Maastricht. Ze was de jongste van vijf kinderen uit
een rooms-katholiek gezin van kleine middenstanders.
Na de middelbare school studeerde zij in 1964 en 1965
modevormgeving aan de Stadsacademie van Maastricht. Maar
modevormgeving gaf onvoldoende ruimte aan haar artistieke
ambitie. Bovendien wilde ze breken met de haar vertrouwde
omgeving en op eigen benen staan. Na een blauwe maandag aan het
Instituut voor Industriële Vormgeving in Eindhoven vertrok
zij in 1966, achttien jaar oud, samen met haar vriendin en
collega Hetty van Boekhout naar Antwerpen om toelatingsexamen
te doen voor de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten
(KASKA).
KASKA was een zeer traditionele opleiding. Daar stond
tegenover dat Antwerpen in de jaren zestig een bruisende,
wereldse stad was waar Nederlandse Limburgers - in tegenstelling
tot in Amsterdam - een bevoorrechte positie innamen. Ellie Vossen
voelde zich in Antwerpen meteen thuis en ze zou er haar hele
leven blijven wonen.
Na vier jaar KASKA (afdeling textieltechniek), volgde zij van
1970 tot 1973 nog een post-graduate studie monumentale kunst aan
het Hoger Instituut Antwerpen, waar zij in een eigen atelier
zelfstandig verder kon werken. Ze was een succesvolle student en
won verschillende prijzen. In die jaren ontwikkelde zij ook haar
belangstelling voor filosofie en politiek door de colleges
cultuurgeschiedenis bij professor Nagels.
Textiele materialen en mode hadden voor haar intussen hun
aantrekkingskracht niet verloren. Ze maakte haar eigen kleding,
vaak extravagante creaties waarmee zij de aandacht trok.
Daarnaast werkte zij in haar atelier van het Hoger Instituut aan
haar eerste monumentale sculpturen met jute en touw. De
kunstwereld was volop in beweging. Met name op het gebied van de
textielkunst waren opwindende ontwikkelingen gaande, waarvan de
eerste voorbeelden al te zien waren geweest op de in 1962
gestichte, internationale textielbiennale van Lausanne
(Zwitserland). Deze biennale, waarvan een enorme stimulans en
voorbeeldfunctie uitging, was opgericht door de Franse kunstenaar
Jean Lurçat, om het ontwerpen en weven van moderne
wandtapijten een nieuwe impuls te geven. Maar een aantal
Oosteuropese kunstenaars onder wie de Poolse Magdalena
Abakanowicz, gaf een onverwachte, revolutionaire wending aan de
weefkunst, met vrije sculpturale vormen van monumentale
afmetingen.
Sinds de jaren zestig ontdekten steeds meer kunstenaars, onder
wie Ellie Vossen, textiel als autonoom artistiek medium.
Vorm, materiaal en techniek werden, los van enige gebruiksfunctie
of traditie opnieuw onderzocht, zoals dat toen ook gebeurde bij
andere kunstvormen.
In Nederland werden de nieuwe ontwikkelingen op de voet
gevolgd. In 1968 organiseerde het Frans Halsmuseum in Haarlem een
tentoonstelling onder de titel Werken in textiel, met
negen kunstenaars onder wie Loes van der Horst. Die
tentoonstelling was een belangrijke gebeurtenis omdat het
Nederlandse publiek voor het eerst kennis kon maken met moderne
textiele kunstvormen van een nieuwe generatie. Na Haarlem volgde
ook Amsterdam. Tussen 1969 en 1989 werdt in het Stedelijk Museum
een groot aantal tentoonstellingen georganiseerd zoals
Perspectief in Textiel in 1969; Structuur in
Textiel in 1974; en de Biennale van Miniatuurtextiel
in 1982. Tevens vonden hier diverse solotentoonstellingen plaats
van kunstenaars die met een nieuwe benadering van textiel
zelfstandig gingen functioneren binnen de kunstwereld. Er waren
tentoonstellingen van Loes van der Horst in 1973 en 1981, Sheila
Hicks in 1974, Herman Scholten in 1974 en 1991, Daniel Graffin in
1977, Jagoda Buic in 1978, Anna Verwey in 1979, Margot Rolf in
1984 en Desirée Scholten in 1987.
Het enthousiasme waarmee de nieuwe textielkunst in
museumkringen werd ontvangen, had ook een keerzijde. De
kunstenaars die in Haarlem werden samengebracht, verschilden
onderling sterk in hun benadering en vormden absoluut geen groep.
Het enige dat hen bond, was het materiaal op grond waarvan
ze werden geselecteerd. Desondanks werden de betrokken
kunstenaars nadien als een samenhangende groep
textielkunstenaars gezien, een etiket waar sommigen hun
hele leven last van bleven houden. Door bij tentoonstellingen het
materiaal als uitgangspunt te nemen in plaats van individuele
artistieke uitgangspunten, bleef textielkunst geassocieerd met
(vrouwelijk) ‘handwerk’. Het Stedelijk Museum
Amsterdam bijvoorbeeld begon op vrij grote schaal textielkunst te
verzamelen maar wel voor de afdeling toegepaste kunst!
De emancipatie van de textielkunst was begin jaren zeventig
ook tot België doorgedrongen. Zij het, dat de houding ten
aanzien van de vernieuwingen hier aanmerkelijk behoudender was,
zoals Jan Walgrave elders in dit boek schrijft. Net als in
Nederland, werd ook in België de nieuwe textielkunst als
aparte categorie in tentoonstellingen gepresenteerd, ongeacht de
uitgangspunten van de individuele kunstenaars.
Ellie Vossen was zich bewust van die problematische aspecten
van de nieuwe textielkunst. Maar met haar Nederlandse achtergrond
en haar belangstelling voor zowel monumentale kunst als textiel,
zal ze zich vooral geïnspireerd hebben gevoeld door de
nieuwe wegen die voor haar open lagen.
1973-1975
Haat-liefde relatie met textiel
Op een foto uit begin jaren zeventig staat Ellie - hoogbenig
en kleurrijk - naast een imposante textielsculptuur. De foto
werd genomen in haar atelier van het Hoger Instituut Antwerpen,
waarschijnlijk vlak voordat het werkstuk zou worden vervoerd naar
de tentoonstelling 6 x Antwerpen in het Gemeentemuseum
Roermond in 1973. Het is een ruimtelijk object van ongebleekt
katoenen touw van bijna drie meter hoog, dat vanaf het plafond
naar beneden hangt. Het beeld heeft iets weg van een levend
organisme, met tentakels en luchtwortels.
Dit vroege, expressieve werk van Ellie Vossen is een typisch
voorbeeld van de ruimtelijke hangsculpturen, zoals die vanaf
begin jaren zestig gemaakt werden. De monumentaliteit, de
dramatische oerkracht en het gebruik van natuurlijke materialen,
tonen onmiskenbaar de invloed van Poolse pioniers van de
textielkunst als Magdalena Abakanowicz en Tapta, die veel
navolging kregen.
Ellie Vossen verlegde haar belangstelling al snel van het
organische effect van het materiaal naar een meer conceptuele
benadering van vorm en ruimte. Mogelijk liet zij zich inspireren
door Amerikaanse beeldhouwers als Oldenburg en Christo, die toen
exposeerden in Wide White Space Gallery in Antwerpen.
Haar ontwikkeling is goed te volgen aan de hand van een
drietal gedetailleerde ontwerptekeningen voor monumentale
ruimtelijke sculpturen, eveneens uit begin jaren zeventig. De
eerste, surrealistisch aandoende tekening is een ontwerp voor
een verticale vloersculptuur van drie ineengedraaide touwen.
Drie uiteinden van de dikke touwen steken als pijpleidingen op
gelijke hoogte in de muur, alsof ze zijn aangesloten op een
energiebron waardoor ze worden aangedreven en ze ineen doet
draaien tot een menselijke gedaante, met uitgerafelde strengen
aan het andere uiteinde als een dikke bos ‘haar’.
Een tweede, minder dramatische tekening toont een stevige
rechtopstaande vlecht van weer drie touwen, waarvan de uiteinden
een snelle, roterende beweging maken.
Een derde tekening is het ontwerp voor Variabele
Situatie, een ruimte vullende installatie die in twee
versies werd uitgevoerd. Een foto van de maquette (schaal 1:10)
uit 1972-73 van de eerste versie laat een soort soft sculpture
zien van een machine, bestaande uit twee cylinders of trommels
waarvan er één, via een slang, is verbonden met een
ongeordende massa touw waaruit een verticale buis omhoog steekt,
die in een hoek van 90 graden in de muur verdwijnt. De cylinders
zijn bekleed met jute, primitief aan elkaar genaaid met ruwe
rechtopstaande stiknaden. Op de ontwerptekening zijn de
cylinders draaiend weergegeven alsof ze worden aangedreven.
In deze fase van haar ontwikkeling vond het atelierbezoek
plaats, waaraan Jan Walgrave elders in dit boek herinneringen
ophaalt. In opdracht van de Belgische nationale commissie voor
kunstambachten werkte hij toen aan de voorbereiding van de
tentoonstelling Aktuele Keramiek en Textielkunst uit
Antwerpen, die in 1974 in het Museum de Sterckshof in
Deurne-Antwerpen zou worden gehouden. Ondanks zijn onbegrip bij
het zien van de cylinders en buizen van textiel ‘waarvan
een wel drie meter hoog’, werd de tweede versie,
Variabele Situatie II, in de tentoonstelling
opgenomen.
Variabele II was vergelijkbaar met de eerste versie,
met dit verschil dat de cylinders of trommels waren
‘verpakt’ in stukken zeildoek op een wijze die
herinnert aan Christo.
Hoe beperkt de speelruimte was in België in die tijd,
illustreert het schandaal dat Jan Hoet als directeur van het
Museum van Hedendaagse Kunst Gent veroorzaakte met zijn aankoop
van een ‘vliegmachine’ van Panamarenko in 1976. In
1979 dreigde zelfs zijn ontslag, na aankoop van
Wirtschaftswerte van Joseph Beuys!
Ellie Vossen (die grote waardering had voor zowel Panamarenko
als Beuys) sloot met haar verbeelding van machinale processen aan
bij de dynamiek van die periode. Dezelfde tijdgeest spreekt uit
de serie machineachtige tekeningen die de Amerikaanse schilder
Eva Hesse halverwege de jaren zestig maakte tijdens een
werkperiode in een voormalige textielfabriek in Duitsland. In
deze fabriek maakte Hessse ook haar eerste sculpturen uit de
daar rondslingerende textiele materialen die voorhanden waren.
In New York maakte Hesse deel uit van een kleine groep
avantgarde kunstenaars. Haar nieuwe werk werd begrepen en
geplaatst binnen de context van de algehele vernieuwingsbeweging
in de beeldende kunst, waarvan ook Christo, Oldenburg met zijn
soft sculptures, en vele anderen die textiel als medium
aanwendden deel uitmaakten. Ellie Vossen, die als beginnend
kunstenaar met haar installaties nog geen plek had weten te
veroveren in het galerie- en opdrachtencircuit, liet zich
inlijven bij de zogenaamde ‘textieldames’ van Jan
Walgrave.
Marie-Jo Lafontaine, een Belgische leeftijdgenote van Ellie
Vossen - die aanvankelijk aan dezelfde groepstentoonstellingen
van textielkunst deelnam zoals de Triënnale voor
Textielkunst in Lodz (Polen) in 1978, en de hier eerder
genoemde tentoonstelling Hedendaagse textielkunst in
Vlaanderen in 1979 - verzette zich tegen haar uitsluiting van
het eigentijdse kunstdebat en de wereld van de autonome kunst,
ten gevolge van het etiket ‘textielkunstenaar’. Haar
monumentale, monochrome wandtapijten werden aanvankelijk
beschouwd als een vorm van toegepaste kunst. Volkomen ten
onrechte, meende zij, omdat haar intenties vergelijkbaar waren
met die van de door haar bewonderde minimale schilders als Robert
Ryman en Brice Marden. Op grond van haar argumenten werden haar
zwarte monochromen naast sculpturen van Carl Andre
geëxposeerd in het Palais des Beaux Arts in Brussel
in 1978. Al in 1979 stapte zij over op video en fotografie
waaraan zij haar huidige bekendheid dankt.
Ook de Nederlandse Loes van der Horst (geb. 1923 ) voerde haar
leven lang strijd tegen de stigmatiserende werking die volgens
haar van de benaming ‘textielkunst’ uitging. Om die
reden besloot zij al in 1973 om niet langer deel te nemen aan de
biennales van Lausanne.
Ellie Vossen heeft zich nooit publiekelijk over deze kwestie
uitgesproken maar volgens haar vriendin en collega Hetty van
Boekhout wilde ze absoluut niet als een van de
‘textieldames’ van Walgrave worden beschouwd.
Intussen was Ellie Vossen wel hard aan het werk. Om in haar
onderhoud te voorzien gaf zij enkele dagen per week
kunstonderwijs. De resterende tijd moet zij grotendeels in haar
atelier hebben doorgebracht. In 1974 zond zij een maquette van
haar installatie 7 plus 1 in voor deelname aan de zevende
biennale van Lausanne. De internationale jury, onder wie Willem
Sandberg en Edy de Wilde, koos uit de 765 internationale
inzendingen zestig deelnemers, onder wie Ellie Vossen.
1975-1976
Bigger Than Life
7 plus 1 was een vervolg op Variabele Situatie I en
II . Het beeld bestaat uit vier geweven en met ijzer
versterkte soepele buizen van ongebleekt katoen met een doorsnede
van 15 cm, die een los vlechtwerk van twee horizontalen en twee
verticalen vormen op een grondvlak van vier bij vijf meter. De
gerafelde uiteinden van de geweven buizen worden opgevangen in
grote trommels of cylinders van transparant plastic. Een van de
acht trommels is buiten het grondvlak geplaatst en staat rechtop,
verbonden aan een buis die omhoog wordt gestuwd.
Net als bij Variabele situatie I en II wordt een
machinaal proces gesuggereerd, dat hier door het gebruik van het
koele plastic en het witte katoen, de sfeer oproept van een
laboratorium experiment.
De kolossale sculptuur kreeg op deze zevende biennale van
Lausanne een prominente plaats in het centrum van de grote zaal
van het museum in het Palais de Rumine. De regionale pers van
Limburg, Zeeland en Vlaanderen schonk uitvoerig aandacht aan de
Limburgse Ellie Vossen, de enige deelneemer uit
Vlaanderen.
Paul Haimon ging in zijn bespreking van de Biennale in het
Limburgs Dagblad van 21 juli 1975 uitvoerig op haar werk
in. Onder de kop ‘Ellie Vossen uit Bunde in centrum van
museum’, beschrijft hij ‘het project dat is
gebaseerd op het principe van het weven’, als: ‘een
monument in textiel voor bedwongen beweging’. Ellie zelf
beschrijft hij als een grote jonge vrouw, ‘tijdens de
vernissage een van de opmerkelijkste verschijningen door de
vanzelfsprekendheid waarmee zij een modieus lang gewaad,
geïnspireerd op oosterse klederdracht, wist te
dragen’. Vermakelijk was de nuchtere reactie van Ellie:
‘Ik heb in Maastricht twee jaar mode gedaan, dan is het
niet moeilijk om, zonder al te duur uit te komen, toch smaakvol
gekleed te gaan’.
Piet Sterckx van de Nieuwe Gazet interviewde haar op 9
mei 1975 onder de kop ‘Ellie Vossen verheft textiel tot
beeldhouwkunst’. Hij trof haar op de dag dat het werk zou
worden verzonden naar Lausanne, met verbonden handen. Ze vertelde
Sterckx dat ze om dit werk te realiseren, vier en een halve maand
in de kelder van het Hoger Instituut had staan vlechten aan de
zes meter lange buizen! Sim van den Bos, een bevriende
balletdanseres die haar daarbij assisteerde, herinnert zich dat
Ellie Vossen in die tijd aanvallen had van pleinvrees en
hyperventilatie. In de vele uren van monotoon werk moet zij
zichzelf hebben gedreven tot het punt van fysieke uitputting. Ze
was van een generatie die dacht dat je moest lijden voor de
kunst. Marie-Jo Lafontaine bijvoorbeeld beschreef zichzelf als
een menselijke machine, een uitbreiding van het weefgetouw.
Lafontaine ging van de veronderstelling uit, dat door haar
extreme fysieke inspanning de tapijten werden opgeladen met
energie, die vervolgens door de beschouwer lijfelijk zou kunnen
worden ervaren.
In het interview met Sterckx stelde Ellie zich terughoudend op
met betrekking tot de inhoudelijke interpretatie van haar werk:
‘Ik kan niet ontkennen dat het een vorm is, die gegroeid
is uit mijn hart en mijn intellect, en dat er ongetwijfeld een
hele wereld in of achter schuil gaat, maar ik hou er niet van dat
men er iets concreets gaat aan vastpinnen. Toch hou ik er wel aan
om te zeggen dat het werk iets meer is dan een spelen met
materie. De schoonheid van katoen, of van het weefsel, is mij
niet voldoende. Jaren geleden was dat wél het geval. Wanneer
men met dergelijke materialen begint te werken wordt men altijd
eerst een tikkeltje te verliefd op het materiaal zelf. (...)
Daarom ben ik opzettelijk koeler gaan werken. Daarom misschien
voeg ik ook nog metaal en plastic aan de textiel-materie toe. Om
het eerlijk te zeggen: de aanwezigheid van textiel is haast
toevallig geworden. Ik bekommer mij om het sculpturale. De
zeggingskracht die van het beeld uitgaat, daar gaat het
om.’
Hier is een kunstenaar aan het woord die werkte aan een
programma en die zich bewust was van de vooroordelen met
betrekking tot de textielkunst.
Dezelfde afstandelijke houding met betrekking tot materiaal en
techniek nam Loes van der Horst al in 1968 aan, toen zij deelnam
aan de eerder genoemde tentoonstelling Werken in textiel
in het Haarlemse Frans Halsmuseum. Van der Horst stelde ronduit,
dat zij om zuiver practische redenen van de schilderkunst op
weven was overgegaan. En zoals Ellie Vossen plastic en ijzer
gebruikte, weefde Van der Horst als een van de eersten met gladde
synthetische vezels, ‘die niet beladen waren met
connotaties als natuurlijke warmte of huiselijkheid’!
Mogelijk mede als reactie op de vooroordelen nam textielkunst in
die jaren zulke monumentale afmetingen aan. Tegen Sterckx zei
Ellie Vossen bijvoorbeeld:’Kleine werkjes staan te dicht
bij amateurisme. Het mogen beslist geen breiwerkjes
worden.’
Een paar maanden later (22 juli, 1975) verscheen een
paginagroot artikel van Paul Maartense in de Provinciaalse
Zeeuwse Krant met de kop: ‘Ellie Vossen (27) naar
Biennale Lausanne. Textielsculpturen krijgen kracht en dimensie
door grootte en ruimtelijk effect’. Het artikel opent met
een citaat van Ellie Vossen waarin zij wèl ingaat op de
inhoudelijke betekenis van haar werk:
’Deze sculptuur geeft een complexiteit van menselijke
relaties en bindingen weer. De met ijzerdraad verstevigde, van
naturelkleurig katoen geweven slurven verbeelden de levensaders
die aangesloten zijn op transparante cocons waarin het leven
uitstroomt en zijn eigen weg vindt’.
Ellie Vossen werd door Maartense geïntroduceerd als een
kunstenaar, die vóór Lausanne ‘aan het plafond
zat van de anonimiteit’ en die in tentoonstellingen
voornamelijk opviel ‘door de kolossale afmetingen van haar
werk’. Maartense: ‘Zij beschouwt haar toelating tot
deze toonaangevende wereldexpositie op het gebied van de textiel-
en de tapijtkunst als een eerste doorbraak naar meer bekendheid,
en belangrijker nog, erkenning van stijl, originaliteit en
werkwijze’.
Als Maartense de maten van haar werk ter sprake brengt, zegt
Ellie daarover:
‘Een textielsculptuur is niet goed omdat het groot is en
daardoor de aandacht trekt of imponeert. (...) Van een grote
textielsculptuur komt de intentie sneller en directer over, omdat
de toeschouwer er fysiek bij betrokken wordt. Dat is eigenlijk de
belangrijkste reden waarom ik zo graag groot werk.’
Die opmerking maakt duidelijk dat Vossen zich, net als
Lafontaine, in de eerste plaats richtte op communicatie met de
beschouwer. Dit onderscheidt haar van een kunstenaar als Loes van
der Horst, die met haar monumentale installaties reageert op de
ruimtelijke omgeving. Dit verschil in benadering hing mogelijk
samen met het ontbreken van enig beleid op dit gebied in
België. ‘Een groot werk vraagt om een juiste
integratie in de architectuur en daar zijn onvoldoende
mogelijkheden voor’, zegt Ellie Vossen tegen Maartense.
‘Nog nooit heb ik een opdracht gehad en op exposities heb
ik nog nooit wat verkocht. Een groot werk (Variabele II,
R.v.d.L.) heb ik in bruikleen aan het museum van Roermond
afgestaan. Dat vind ik al heel wat’.
Vossen was goed op de hoogte van de internationale
ontwikkelingen in de textielkunst van dat moment. Zij roemde het
progressieve artistieke klimaat van Nederland dat naar haar
mening, samen met Amerika, de leiding had overgenomen van de
Oosteuropese landen. In België daarentegen werd textielkunst
naar haar mening nog teveel beschouwd als een kunstzinnig
ambacht: ‘Zo van het vrouwtje (sic) achter het
weefgetouw’.
Ten tijde van dit interview was zij kennelijk over haar
weerstand tegen klein werk heengestapt; mogelijk omdat zij een
solotentoonstelling in het vooruitzicht had bij galerie De Zwarte
Panter in Antwerpen. Tegen Maartense zei Vossen dat zij:
‘Uit behoefte aan afwisseling ook werkte aan kleine
textieltoestanden met reliëf, die door een veranderend
lichtval wisselende beeldpatronen en schaduwen geven. De relatie
tussen dit werk en de toeschouwer wordt dan wel heel
anders’, voegde zij daaraan toe. ‘Een kleine
textieltoestand aan de muur sluit de ruimte er omheen uit. De
toeschouwer moet zich cerebraler opstellen. Hij moet er rustig en
passief tegenover blijven staan om de intentie ervan te kunnen
vatten.’
1976-1978
‘Het gebeuren is gans een mensenleven’
(Wout Vercammen over Ellie)
In het voorjaar van 1976 had Ellie Vossen haar solodebuut bij
galerie De Zwarte Panter in Antwerpen met de tentoonstelling
Cijferlintbindingen en 7 plus 1.
Voor veel oud-studenten van KASKA was de galerie van Adriaan
Raemdonck, zelf oud student, een nieuw thuis. De Zwarte Panter
was toen al gevestigd op de huidige locatie in het oude
Sint-Julianusgasthuis, een historisch complex aan de Hoogstraat
70-72 waar ook een ruime kapel bij hoorde. Op foto’s van de
tentoonstelling is te zien dat die kapel de perfecte ambiance
vormde voor 7plus I en haar nieuwe murale werk. Dit nieuwe
werk bestond uit een serie in ruitvorm opgehangen vierkanten:
vlechtwerk van in repen gesneden transparant plastic, en om de
zogenaamde Cijferlintbindingen: seriematig onderzoek naar
weefverbindingen met het vierkant als
uitgangspunt.
De tentoonstelling werd door de Belgische Vereniging van
Kunstkritici onderscheiden als een van de beste
eenmanstentoonstellingen, die dat seizoen in België plaats
vonden
Vooral de serie Cijferlintbindingen werd lovend
ontvangen. Dit werk was eigenlijk een eigen interpretatie van de
verschillende basisprincipes van het weven, uitgevoerd met
cijferlint, dat in de textielindustrie wordt gebruikt om de maat
van kleding aan te geven. Met het smalle witte lint, met de met
rood garen ingeweven cijfers, weefde zij verschillende soorten
bindingen zoals platte lintbinding, keperbinding, wafelbinding
en slinger- en dubbelweefsels, waardoor zeer verschillende
oppervlaktestructuren ontstonden. Ze voerde de complexiteit van
de weefstructuur steeds verder op, door verschillende soorten
bindingen toe te passen binnen één compositie. En door
zowel de voor- als de keerzijde van het cijferlint (die zij
positief en negatief noemde) te gebruiken. De visuele
mogelijkheden die de rode cijfers boden, werden op ingenieuze
wijze benut om structuren te accentueren, lijnstructuren te laten
verspringen en te verschuiven, kleur te laten verdiepen of
vervagen, om een kruisvorm of centrumformatie te maken, of een
sterachtige structuur te creëren.
In het bijzonder met de abstracte keerzijde van het lint, met
de losse aan-en afhechting van de draden, wist zij poëtische
effecten te bereiken.
‘Het werk doet bijzonder gevoelig aan, als roosgetinte
miniaturen vooral, waar de cijfers op de keerzijde van het lint
bijna op arabisch schrift gelijken’, schreef kritikus Paul
de Vree hierover in De Periscoop van september 1976.
Haar gevoel voor, en beheersing van het materiaal waren
buitengewoon. De esthetiek vloeide op een volkomen
vanzelfsprekende manier voort uit de harmonie die zij wist te
bereiken tussen het materiaal, de binding of structuur en de
kleur.
De tentoonstelling in De Zwarte Panter werd geopend door
Florent Bex, toen directeur van het Internationale Cultuur
Centrum in Antwerpen (ICC), dat in de jaren zeventig een
belangrijk platform was voor experimentele kunst. In zijn
openingswoord, waarvan aantekeningen in het archief van De Zwarte
Panter bewaard zijn gebleven, noemde Bex haar werk onder
verwijzing naar Marshall McLuhan’s Het medium is de
boodschap: ‘Zeer elementair onderzoek’; en Ellie:
‘Eén van de weinigen die zich onttrekt aan de traditie
van het medium.’
Die complimenten, die haar maakten tot one of de boys,
waren ten dele onjuist. Het ging hier inderdaad om zeer
elementair onderzoek. Maar daarbij onttrok zij zich niet aan de
traditie van het medium. In tegendeel, zij maakte weven expliciet
tot uitgangspunt van haar onderzoek met als resultaat, een
sobere geometrie die raakvlakken had met de nulbeweging.
Bovendien ging het haar niet om een zuivere l’art pour
l’art, zoals ook werd opgemerkt door Paul de Vree:
‘Ellie Vossen noemt haar werk cijferlintbindingen en het is
juist het woord ‘’bindingen’‘ dat naar de
beschouwelijke kant van haar intenties refereert.’
In diezelfde periode begon zij naast cijferlint ook tekstlint
te gebruiken, dat zij speciaal liet maken in een kleine fabriek
die zij had ontdekt. Twee kleine tekstlintwerkjes van 20 x 20 cm,
respectievelijk Square en Circle zijn te
interpreteren als een geestig commentaar op minimal art, doordat
zij letterlijk naar zichzelf verwijzen. Circle is een
combinatie van ongebleekt katoen, wit tekstlint met met rood
garen ingeweven het woord circle, en rood potlood. Op een
vierkante lap ongebleekt katoen is met rood potlood een vierkant
getekend met daarbinnen twee concentrische cirkels. De tekening
is verdeeld door horizontale potloodlijnen met een onderlinge
afstand die gelijk is aan de breedte van het letterlint. In de
binnenste cirkel is het letterlint, om en om, door het katoen
heengeweven.
Haar deelname aan Lausanne en de daarop volgende, succesvolle
tentoonstelling bij De Zwarte Panter dat zoveel betekende als een
acceptatie binnen het autonome kunstcircuit, zullen haar
zelfvertrouwen hebben gesterkt. Uit aantekeningen die zij tussen
oktober en 1975 en 1979 maakte van de Cijferlintbindingen
(‘werkjes’ zoals zij ze noemde), blijkt dat dit werk
ook goed werd verkocht. Het cijferlint, gecombineerd met haar
virtuose techniek, maakte dit werk uniek en esthetisch zeer
aantrekkelijk. Haar systematische, op wetmatigheden gebaseerde
werkwijze, de geometrische strutuur en de modulaire opbouw (de
herhaling van cijfers en woorden) sloten aan bij minimal art. De
toepassing van geprefabriceerd, alledaags materiaal gaf dit werk
een eigentijds en authentiek karakter.
Niet onbelangrijk in deze periode was haar contact met Wout
Vercammen, met wie zij van 1976 tot1980 een vrolijke en intieme
relatie onderhield. Vercammen, die in de jaren zestig met Hugo
Heyrman en Panamarenko betrokken was bij talrijke happenings in
de binnenstad van Antwerpen, had een interessante vriendenkring
en goede contacten in de kunstwereld. Bovendien voelde zij zich
in zijn aanwezigheid ontspannen en kwam ze los.
In 1978 noteerde Ellie Vossen in haar notitieboekje de
gegevens van haar laatste werk in de serie met letterlint van
180 x 180 cm:
Grote ruit (met kruis). Tekstlint positief x negatief.
Zilver of zwart lint in transparant plexi kader.
Ruimtelijk werk d.i. aan 2 zijden te bezichtigen.
(In bezit van Bernard Blondeel)
Dit monumentale werk, dat vrij in de ruimte werd opgehangen,
vormde de apotheose en tevens definitieve afsluiting van haar
spel met positief/negatief. De voor- en keerzijde waren volledig
in elkaar opgegaan en vormden niet langer een tegenstelling.
Grote ruit werd in 1978 geëxposeerd in de
tentoonstelling Fattura in de Spectrum Gallery Antwerpen
van Bernard Blondeel. Deze tentoonstelling was de eerste
groepstentoonstelling waaraan Ellie Vossen meedeed, die níet
aan textielkunst was gewijd. Zij was de enige vrouwelijke en
tevens jongste kunstenaar in een gezelschap van zes Antwerpse
collega’s onder wie Wout Vercammen.
Het ging om een tentoonstelling van experimenteel ingestelde
kunstenaars: Luc Deleu met een ontwerp voor een een alternatief
woningbouwproject met semi self-supporting woonboten, Filip
Francis die een brug probeert te slaan tussen de performance en
de schilderkunstige praktijk, bijvoorbeeld door te schilderen met
twee handen, met de voeten of met een blinddoek voor, Wybrand
Ganzevoort met zelf-bouwpakketten van constructivistische
sculpturen, DominqueStroobant met foto’s gemaakt met een
zelf gebouwde camera, Thé Van Bergen met een serie
schilderijen waarin hij het originaliteitsprincipe ter discussie
stelt, en Wout Vercammen met dwarse, handgeschreven
dada-achtige teksten als ‘Legalize
Consciousness’.
In dit gezelschap toonde Ellie Vossen naast Grote ruit
ook haar nieuwste werk dat bestond uit reliëfachtige
‘wandtapijten’ van celstofpapier op een drager van
textiel, die de registratie vormden van een geleid capillair
proces van absorptie.
Een (zwart/wit) foto uit de tentoonstellingscatalogus van
Fattura laat een vrijhangend doek zien in de vorm van
een staande rechthoek met een modulair opgebouwde compositie, die
bestaat uit 26 rijen van negen papieren zakdoekjes. De
zakdoekjes liggen in gevouwen vorm (zoals ze uit de verpakking
komen) in horizontale richting naadloos tegen elkaar aan en zijn
met de naaimachine vastgestikt op een drager van zwart doek. Door
een bijzondere toepassing van kleur ontstaat een
reliëfwerking met een opwaartse en neergaande beweging.
Het doek, dat is getiteld Verticale beweging, heeft een
afmeting van 180 x 100 cm. De compositie is systematisch
opgebouwd volgens een van te voren bepaald plan dat in
verschillende stadia werd uitgevoerd. De papieren zakdoekjes zijn
voordat ze werden opgenaaid, ‘bewerkt’. Van de
zakdoekjes maakte ze 26 bundels die elk apart, gedurende een
bepaalde tijd werden geplaatst in een afgepaste hoeveelheid water
waaraan kleurstof was toegevoegd. De eerste bundels konden zich
volledig volzuigen, waarna zij het proces zodanig reguleerde dat
door elke bundel steeds minder kon worden geabsorbeerd, tot het
punt waar het papier wit bleef. Na het drogingsproces zijn de 26
bundels stuk voor stuk uit elkaar gehaald en werden de rijen
gevormd, analoog aan het absorptieproces: de donkerste rijen
onder met een kleurverloop in opwaartse richting. In de
compositie werden de wetmatigheid van het absorptieproces en het
verloop van de tijd zichtbaar gemaakt.
Op basis van eerdere uitlatingen van Ellie Vossen lijkt het
gerechtvaardigd om ervan uit te gaan, dat het ook hier om
méér gaat dan om spelen met materiaal. Door het midden
van de compositie loopt een verticale baan ter breedte van
één gevouwen zakdoek, waarvan het kleurverloop in een
neerwaartse, dus tegennatuurlijke, richting plaats vindt. Het
menselijk ingrijpen in een natuurlijk proces wordt hier in de
vorm van een kunstmatige reconstructie zichtbaar gemaakt.
En zoals ze met de Cijferlintbindingen een eigen
interpretatie gaf aan de basisprincipes van het weven, sloeg zij
ook met dit werk een brug tussen een typisch vrouwelijke
handwerktraditie (hier de applicatietechniek) en minimal art. De
hier toegepaste verftechniek had raakvlakken met de grote
textieltradities van India, Japan en Indonesië, waarin
verven van textiel (in het bijzonder met verf afstotende
technieken) als zelfstandige kunstvorm wordt beschouwd. Door de
groeiende belangstelling voor niet-westerse culturen vonden die
technieken in de jaren zestig en zeventig ook artistieke
toepassing in Europa en de Verenigde Staten. Maar de fundamentele
benadering van Ellie Vossen van het geleide capillaire proces
van de absorptie, bovendien gekoppeld aan ecologische
overdenkingen, is bij mijn weten uniek in de kunstwereld.
Kennelijk werd dat ook zo ervaren door Bernard Blondeel, de
eigenaar van Spectrum Gallery, die Verticale beweging
aankocht en nog in datzelfde jaar een solotentoonstelling van
haar nieuwe werk organiseerde.
Haar aantekeningen bestaan, zoals steeds, uit summiere
werknotities en schetsjes.
Onder vermelding van Tentoonstelling ‘Spectrum’
6 okt.- 4 nov. 1978, beschreef zij een dertigtal werken
waardoor haar ontwikkeling goed is te volgen. Net als bij de
Cijferlintbindingen begon zij eenvoudig en op klein
formaat, aanvankelijk zonder kleur te gebruiken, waarna de
complexiteit systematisch werd opgevoerd.
De eerste tien ‘lapjes in plexikastje’, zoals ze
ze noemde, hebben een afmeting van 50 x 50 cm. Ze begon met een
serie van drie, die in bezit is van de filosoof en Husserl-
kenner Sam IJsseling met wie zij een intieme vriendschap
onderhield.
Serie van 3.
Witte in tweeën geknipte zakdoekjes (vierkantjes) op
zilvergrijze achtergrond.
Met witte zijde doorstikt. (geen zichtbare
naden)
Onder bovenstaande beschrijving staan drie schetsjes van
identieke vierkanten die door een diagonale lijn worden
doorsneden: respectievelijk van linksonder naar rechtsboven, van
linksboven naar rechtsonder en twee diagonalen die elkaar
kruisen.
In de nummers die volgen, begon zij te spelen met de formele
mogelijkheden die de stof als drager bood: de ruwe naden
gebruikte zij om uiteenlopende vlakverdelingen en structuren te
maken waarbij het vierkant steeds als uitganspunt diende.
In nummer 9 vermeldt zij voor het eerst het gebruik van
kleur:
Violetblauwe gedrenkte zakdoekjes (vierkant) op zwarte stof
gestikt.
Grove naden waardoor veel reliëf.
(in bezit van Philip Francis)
Bij dit procesmatige werk werd weinig aan het toeval
overgelaten. In een apart notitieboekje dat zij reserveerde voor
technische bijzonderheden, verzamelde zij kleurproefjes, en van
elk werk werden de kleur, de duur van het drenkproces en het
totale aantal uren dat zij in een een werk stak, nauwkeurig
bijgehouden.
Na de eerste tien volgde een serie van drie monumentale
doeken van elk 180 x 100 cm getiteld: Verticale beweging,
Verticale beweging + horizontale confrontatie, en
Verticale tegenbeweging (middenpartijen wit).
Met Black Spring, een doek met een afmeting van 280 x
190 cm, dat op diverse textieltentoonstellingen in Vlaanderen,
Polen en Noorwegen werd geëxposeerd, werd deze fase
afgesloten. Zoals de Cijferlintbindingen evolueerden naar
ruimtelijk werk, zo begon zij nu ook met papier ruimtelijke
objecten te maken, de zogenaamde Stapelingen.
Haar notitieboekje vermeldt:
Een twintigtal ‘’pakjes’‘
bijeengebonden en gedrenkte of geverfde zakdoekjes.
In bezit van Guy Stevens, Sam IJsseling, Angèle Bourgonje,
Herman de Ceulenaer, Bernard
Blondeel.
1979-1980
I love paper because it sucks
In de zomer van 1979 werd Ellie Vosssen door Florent Bex
uitgenodigd voor een internationale groepstentoonstelling bij
het ICC, Kunst met papier als arbeid / Arbeid met papier als
kunst. Van de dertien deelnemende kunstenaars waren Ellie
Vossen en Lena Halflants de enige vrouwen.
In de eenvoudige zwart/wit catalogus was per kunstenaar een
dubbele pagina gereserveerd voor afbeeldingen en een persoonlijk
statement. Ellie Vossen volstond met een afbeelding van een
halfopen gevouwen papieren servet waarop ze in drukletters met
inkt schreef: I LOVE PAPER BECAUSE IT SUCKS. Die, voor
haar doen ongewoon uitbundige zin staat aan de onderzijde van het
servet, als een strafregel, driemaal onder elkaar geschreven. De
eerste regel is duidelijk leesbaar, bij de tweede regel vloeit de
inkt sterk uit, en bij de laatste regel lossen de woorden op in
de inkt.
Op de tegenoverliggende pagina in de catalogus staan zes
foto’s van de zes zijden van een kubus, die de registratie
vormen van een geleid capillair proces van absorptie: een kubus,
gevormd door een stapel papieren servetten, werd met touw
zodanig samengebonden dat vier zijden door het touw in
tweeën werden gedeeld en de onder- en bovenzijde in vieren.
Vervolgens werd de kubus gedurende een bepaalde tijd gedrenkt in
een afgepaste hoeveelheid water waaraan donkere kleurstof (inkt?)
was toegevoegd. De kleurstof drong vanaf de onderzijde tot
halverwege de kubus door en zoog zich vervolgens omhoog langs de
insnoeringen van het touw, waardoor een patroon ontstond. Door de
inwerking van het vocht op het samengebonden papier en het
drogingsproces, werd het uitzet- en krimproces van papier als
materie zichtbaar gemaakt en kreeg de textuur een textiel
karakter. De kubus als object is een zuivere registratie van
natuurlijke processen, maar als onderdeel van de installatie die
zij voor deze tentoonstelling maakte, kreeg diezelfde kubus een
geëngageerde context.
Alle kunstenaars in deze tentoonstelling onderzochten de
fundamentele eigenschappen van papier en veel van de statements
hadden door Ellie geschreven kunnen zijn:
Eric Croux: ‘In mijn werk fungeert papier niet alleen
als drager van het werk, het is het werk zelf. (...)
Onregelmatigheden van de regelmaat-ritme verlenen de spanning in
‘t vlak.’ ; Alex Nijs: ‘Naast het
‘’schilderen’‘ wordt de drager mee in het
proces van het schilderij betrokken.’; Frank Van den
Berghe: ‘Sinds 1970 probeer ik mijn materiaal (materialen)
op te waarderen naar materie. Bij deze werkstukken zijn de
wetmatigheden en de eigenschappen van het grootste belang geweest
om mijn ideeën te visualiseren’.
De bijdrage van Ellie Vossen aan deze tentoonstelling ging een
stap verder. Zij kwam met een happeningachtige installatie die
zorgvuldig was voorbereid. Aan de hand van twee gedetailleerde
werktekeningen die zij maakte met een handgeschreven toelichting,
kan, de installatie nauwkeurig worden gereconstrueerd.
Werktekening (1) Materiaal/Werkproces
Materiaal: vijfentwintig tot bundels samengebonden celstof
servetten. De afmeting per servet is 20x20 cm, de
bundels hebben een kubusvorm.
Afmeting: 100 x 100 x 20 cm.
Werkproces: de samenbundeling van papier wordt in een
hoeveelheid vloeistof gelegd. De wijze waarop de
kleurstof het materiaal zal binnendringen wordt
bepaald door de hoeveelheid kleustof en de tijdsduur van het
drenken.
Tijdsduur: de periode van de tentoonstelling.
Hoeveelheid: A. Wordt bepaald door het aantal (en de wil
tot medewerking) van de aanwezigen op de opening van
de tentoonstelling. (Een welbepaalde hoeveelheid per
aanwezige). B. Elke dag gedurende de tentoonstelling wordt
er ... liter aan toegevoegd. C.D.E. etc.
Aard van de kleurstof: A. Scheldewater B.
Dagelijks afval koffiedik uit koffiezetapparaat van ICC
toevoegen, C.D. etc.
Werktekening (2) vloeistofcontainer.
Werktekening (2) toont een proeflapje van het drenkingsproces;
de vloeistofcontainer die bestond uit een plastic zeil met vier
aanhechtingspunten in de hoeken met daaraan een touw waarmee het
zeil aan muur of plafond kon worden bevestigd; en de definitieve
vorm van de installatie: het zeil gevuld met een hoeveelheid
vloeistof en de vijfentwintig tot bundels samengebonden celstof
servetten in de vorm van kubussen die in een formatie van vijf
bij vijf een vierkant vormden. De sobere modulaire opbouw van het
vierkant en de concrete materialiteit van de kubussen die zich
langzaam volzogen met het water van de Schelde dat steeds bruiner
werd door het koffiedik naarmate meer bezoekers de
tentoonstelling bezochten, verbindt een vaste wetmatige structuur
aan een proces van verandering waar elke individuele bezoeker toe
bijdraagt. Op een foto van de opbouw van de installatie is Ellie
Vossen, samen met vijf collega’s onder wie Wout Vercammen,
druk in de weer met trechters, emmers en een peilstok. Vercammen
herinnert zich die periode nog goed: ‘Jezelf in vraag
stellen, engagement tegenover structuur, heeft haar steeds meer
gegrepen. De ‘stijgbeelden’ waren voor haar het
summum van vrijheid.’
Ecologische aspecten waren al sinds 1975 in de Belgische kunst
zichtbaar geworden, mede onder invloed van de publicatie van het
Rapport van de club van Rome. De georganiseerde
vrouwenkunstbeweging daarentegen, die in de loop van de
jaren zeventig vanuit de Verenigde Staten naar Europa was
overgewaaid, kreeg in België toen nog geen voet aan de
grond.
Ellie Vossen hield zich wel op de hoogte van feministische
publikaties, maar het is niet duidelijk welk standpunt zij
daarover innam. Tussen haar documentatie bevindt zich een wat
merkwaardige project uit 1979: een fictieve brief aan het
Bureau ter Bestrijding van Prof. Dr. Siemershof. In deze
brief schreef zij dat zij via een tussenpersoon in het bezit was
gekomen van een aantal manuscripten en autobiografische notities
van de echtgenote van genoemde professor: Julia
Siemershof-Vuylsteke. Deze mevrouw zou haar manuscript tevergeefs
aan diverse uitgevers hebben aangeboden onder de titel
Schroeiend Damesleed. In haar brief bood Vosssen aan, om
dit uit acht delen bestaande geschrift door te sturen naar het
hoofdbureau van de Vereniging van de Bestrijding van prof. Dr.
Siemershof. Tevens vermeldde zij dat Julia Siemershof-Vuylsteke,
nu haar man voldoende in opspraak was, er wel brood in zag om ook
haar memoires te schrijven. De titel was al klaar:
‘’De groei náár en ván
elkaar’‘. Terugblik op mijn huwelijk met Prof.
S., maar uit praktische overwegingen zou zij pas met dit werk
aanvangen nadat de echtscheiding zou zijn uitgesproken en de
alimentatie bevredigend geregeld! Een pagina uit Imaginaire
boeken in 8 delen van Julia Siemershof-Vuylsteke, toont een
schroeiplek van een strijkijzer op plastic.
Vermoedelijk stak Vossen de draak met de zogenaamde
bekentenisliteratuur die voortkwam uit de vrouwenbeweging van die
jaren, zoals De schaamte voorbij van Anja Meulenbelt dat
in 1976 werd gepubliceerd en dat voor veel ophef zorgde. Dat dit
project voor haar meer was dan een grapje tussendoor, zou kunnen
blijken uit de tentoonstelling papiers d’affaires
(met Peter Oosterbos, Agnes Smit en Rien Timmers), in de
Stempelplaats in Amsterdam in 1981, waar zij dit werk
exposeerde.
In het Vlaamse textielcircuit, met Jan Walgrave als
voortrekker, nam zij inmiddels een aparte en vooraanstaande
positie in. Lausanne behoorde kennelijk niet meer tot de
mogelijkheden. Op het omslag van de catalogus van de door
Walgrave georganiseerde tentoonstelling Hedendaagse
textielkunst in Vlaanderen die eveneens in 1979 werd
gehouden, prijkt een werk van Ellie Vossen. De tentoonstelling
met werk van twaalf vrouwen en één man werd geopend in
De Warande in Turnhout en reisde vandaar door naar Lillehammer en
Bergen in Noorwegen.
Van Vossen waren drie Cijferlintbindingen van 70 x 70
cm uit 1975 opgenomen: Negen Ruiten, Lijnstructuur en
Dégradé, en Vierkanten (resist dying),
van 200 x 200 cm uit 1978 waarvan een zwart/wit afbeelding in de
catalogus is opgenomen. Vierkanten is een vierkant
opgebouwd uit vijf maal vijf vierkanten. Elk vierkant
afzonderlijk is opgebouwd uit achttien gevouwen, papieren
zakdoekjes die van te voren in kleurstof waren gedrenkt en die
naadloos tegen elkaar op een drager van doek zijn vastgestikt,
zodanig dat aan de vier zijden een zoom vrij bleef. De
vijfentwintig vierkanten werden vervolgens met grove naden aan de
voorzijde aan elkaar genaaid. De ruwe randen van de stof vormen
een raster waardoor de drager hier tevens constructief onderdeel
van de compositie is geworden. De bovenranden van de zakdoeken
laten een lichte afdruk van een vinger zien waar de verfstof niet
door kon dringen (resist dying). Walgrave schreef in zijn korte
toelichting bij dit werk ondermeer: ‘Haar kunst is niet
gestoeld op zingende kleur of wervelende fantasie; zij is de
stille getuige van haar logisch en constructief denken, met
sobere esthetiek geopenbaard’.
De tentoonstelling toonde zeer uiteenlopend werk van
kunstenaars die toen het gezicht van de Vlaamse textielkunst
bepaalden: Lieva Bostoen, Jacques De Groote, Veerle Dupont,
Marie-Jo Lafontaine, Lut Lenoir, Liberta, leen Lybeer, Marga,
Ingrid Six, Corinne Toussein, Hetty Van Boekhout en Edith Van
Driessche. Het was een dwarsdoorsnede van de uiteenlopende
mogelijkheden die textiel te bieden had: van weven en borduren
tot wolreliëfs, kleine ruimtelijke installaties en geweven
wandtapijten.
1980-1983
Spiritualiteit
Het curriculum van Ellie Vossen vermeldt in 1979 een reis naar
Japan. Het zou niet bij die ene reis blijven. Zij was zeer
geïnteresseerd in oosterse cultuur en esthetiek waarvan de
sporen steeds duidelijker waarneembaar werden in haar werk. Ze
gebruikte alleen nog papier als materiaal, en het geleide
capillaire proces van de absorptie als techniek.
In de periode vanaf 1979 was haar werk, behalve de
tentoonstelling Marchandises in Montevideo in 1983,
uitsluitend te zien in groepstentoonstellingen, gewijd aan
textielkunst. Reacties van de kunstkritiek waren sinds Lausanne
in 1975 en haar solotentoonstelling bij De Zwarte Panter in 1976,
uitgebleven.
Ze exposeerde de ‘pakjes’ van bijeengebonden en
gedrenkte of geverfde zakdoekjes, de zogenaamde
Stapelingen, waarmee zij in 1979 was begonnen als
zelfstandige sculptuurtjes. Tot ze weer een nieuwe stap maakte.
Ze begon de samengebonden bundels na het absorptieproces uit
elkaar te halen waarna ze de opengevouwen servetten als
afzonderlijke bladen in lange, verticale banen onder elkaar aan
de muur hing.
In de vroegste voorbeelden vormen de vouwlijnen een kruisvorm,
met in het centrum een donkere sterachtige structuur, alsof een
explosie had plaats gevonden. Elk blad was afkomstig van dezelfde
bundeling en had dus een vergelijkbaar patroon waarin dankzij het
werkproces langzaam seriële verandering optreedt. In een
ander werk waren de celstof servetten dakpansgewijs over elkaar
gehangen, waardoor weer een nieuw (totaal)patroon ontstond. De
uitstraling van dit werk is spiritueel en vrij, minder
gecontroleerd.
In 1983 exposeerde zij een nieuwe serie van deze zogenaamde
Stijgbeelden in de groepstentoonstelling
Marchandises in Montevideo Antwerpen. Een foto van deze
tentoonstelling toont twee rose-rode ‘wandtapijten’,
die in meterslange verticale banen aan een ruwe bakstenen muur
hangen. De tapijten zijn samengesteld uit vierkante papieren
servetten die in rijen van negen, naadloos tegen elkaar aan, zijn
vastgestikt op een drager van textiel. De ontstane patronen zijn
opnieuw uiterst systematisch en de compositie is op de bekende
manier opgebouwd met een kleurverloop in opwaartse richting. De
bovenste rijen vierkanten vertonen in het centrum alleen nog een
vage rode stip zoals de Japanse vlag. Het effect van het
totaalbeeld is als van een stralende zonsopgang.
In deze fase van haar ontwikkeling ligt de nadruk sterk op de
kleur. De structuur van de compositie is nog steeds het raster
maar de patronen vloeien zonder lijnen, organisch in elkaar
over.
Na deze tentoonstelling vermeldt haar curriculum nog twee
textieltentoonstellingen, in respectievelijk 1984 en 1989. Daarna
werd het stil.
Uit 1992-93 stamt nog een serie van kleine vierkanten van
gedrenkt en beschilderd tissuepaper . In een aantal vierkanten
is op een monochrome ondergrond een losse V-vorm geschilderd
waarin met grove naaisteken een soort ‘hechtingen’
zijn aangebracht. Daarnaast zijn uit 1995 nog de studies
bewaard voor een niet uitgevoerde monumentale opdracht . Twee ,
daarmee samenhangende abstrakte composities op geel mergelzand
, zijn de laatste werken van haar hand.
Nawoord
Toen de bijl in het bos kwam zeiden de
bomen:
een van ons is de steel
(favoriete haiku van Ellie
Vossen)
Zo lang Franck Gribling Ellie Vossen kende, sinds 1988, stond
er een groot pak bij haar in de kast met het opschrift:
‘Bij mijn dood de inhoud ongelezen en ongeopend
vernietigen’. De inhoud van dat pak, dat na haar overlijden
in 1998 door familie werd meegenomen, is onbekend. Met zo weinig
persoonlijke informatie in handen is het verleidelijk te
speculeren over de inhoud van dit pakket. Waar kon of wilde zij
tijdens haar leven niet van scheiden? Waren het persoonlijke
herinneringen? Haar verzameling pluisjes bijvoorbeeld uit de
navel van Vercammen die, zoals hij vertelde, door haar werden
verzameld als ‘notities’ ?
Wie was Ellie Vossen? Het beeld dat uit de verhalen van
vrienden en collega’s naar voren komt, is vol
tegenstrijdigheden. Er is een Ellie uit de beginjaren in
Antwerpen, die vast van plan was om hartstochtelijk te leven. Er
is een Ellie die leed aan stress en hyperventilatie. Een Ellie
met het imago van de sterke afstandelijke vrouw, een
perfectionist die alles onder controle wilde hebben en steeds
hogere eisen stelde aan zichzelf. Een vrouw die veel op reis
ging omdat ze alleen op reis los kon laten. Ze was een groot
kattenliefhebber, een vrouw die de kleine dingen van het leven
belangrijk vond. Een vrouw met smaak die zich aangetrokken voelde
door de oosterse esthetiek en filosofie.
Ellie Vossen behoort tot een generatie geëngageerde
vrouwen die streefde naar autonomie en een zelfstandig,
professioneel bestaan.Volgens vrienden en collega’s sprak
ze graag en veel over kunst, maar zelden over haar eigen werk.
Zoals ik het begrijp, vormde kunst haar referentiekader van
waaruit zij vat probeerde te krijgen op het
leven.
Gedurende haar korte artistieke carrière profileerde zij
zich aanvankelijk binnen de monumentale kunst, maar het bleek
onmogelijk om op eigen kracht haar ideaal om met architecten
samen te werken, te verwezenlijken. Met de grondbeginselen van
het weven als uitganspunt ontwikkelde zij vervolgens een vorm
van minimal art die aansloot bij fundamenteel onderzoek van de
jaren zeventig.
Weven was orde, systematiek en structuur waarin zij houvast
vond. Maar weven was ook de perfecte metafoor voor wat haar
bezig hield in beschouwelijke zin. De verbinding van horizontale
en verticale lijnen tot een raster, vormt ook een formele
grondslag van minimal art. Maar in de praktijk waren textielkunst
en minimal art twee verschillende werelden, waartussen zij een
brug wist te slaan.
Ellie Vossen was een gedreven docent in het kunstvakonderwijs.
Ruim vijftien jaar was zij verbonden aan de Academie Sint Joost
in Breda, waar zij als een van de weinige vrouwelijke docenten,
voor met name de jonge studentes, steun en toeverlaat was. Vanuit
een door Bauhaus geïnspireerde onderwijsopvatting, zette zij
zich in voor een brede algemene basisvorming, met veel aandacht
voor de kennis van materialen en technieken. Kunst bleef in haar
denken altijd een centrale plaats innemen, en waarschijnlijk vond
zij in het onderwijs de bevrediging die zij in haar artistieke
werk niet meer kon vinden.
Halverwege de jaren tachtig stagneerde haar artistieke
loopbaan. Internationale kunststromingen met utopische idealen
maakten plaats voor een verregaande individualisering. De
belangstelling voor zowel textielkunst als voor minimale en
fundamentele kunst was over haar hoogtepunt heen. Ook in
Antwerpen werden de bakens verzet. Florent Bex, bevlogen
directeur van het ICC en voor jonge Antwerpse kunstenaars een
stimulerende kracht, werd halverwege de jaren tachtig van zijn
functie ontheven.
In de ruim tien jaar dat Ellie Vossen systematisch werkte aan
haar oeuvre, bleef de aandacht van de kunstkritiek voor haar werk
beperkt tot de regionale pers en minimale stukjes in eenvoudige
catalogi. In de jaren daarna raakte zij met haar werk op de
achtergrond. Een factor die mogelijk een rol speelt, is dat
zij - ondanks haar onconventionele gebruik van materialen en
(hand)werktechnieken - te boek staat als textielkunstenaar.
Ook Florent Bex, die Ellie Vossen van nabij heeft gekend, liet
verstek gaan. In zijn recent verschenen publicatie Kunst in
België na 1975, is Ellie Vossen - die in het Antwerpen
van de jaren zeventig als een van de weinige vrouwelijke
kunstenaars tot de kleine groep van vernieuwers behoorde -
alleen in het namenregister opgenomen, met vermelding van een
select aantal tentoonstellingen en datum van overlijden. Het is
tekenend dat geen enkele textieltentoonstelling wordt
genoemd, zelfs niet haar bijdrage aan de Biennale van Lausanne.
7 plus 1 werd in 1976 door Adriaen Raemdonck van De
Zwarte Panter geschonken aan het Museum van Oosteinde. Ellie
Vossen overleed in 1998.
Riet van der Linden is kunsthistorica en freelance publiciste.
Zij was van 1984 tot 1995 verbonden aan de Stichting Vrouwen in
de Beeldende Kunst in Amsterdam, ondermeer als hoofdredactrice
van Ruimte, Vrouwen en Kunst.